Bedankt voor het stemmen

Wij bedanken alle mensen die hun stem via de Rabo spek je clubkas campagne hebben  uitgebracht op ons shantykoor de Batraven.
Het heeft ons een bedrag van €469 opgeleverd wat we willen besteden aan het organiseren van een shantyfestival in 2016 t.g.v. ons 15 jarig bestaan.

Iedereen GEWELDIG BEDANKT.

Stormramp 9 februari 1889

In de nacht dat er in Grimsby 70 (three score and ten) mannen verdronken, heeft ook Nederland veel hinder ondervonden van deze storm. Een groot deel van Rotterdam stond bijvoorbeeld onder water.
Het volgende krantenartikel stond op 12 februari 1889 in Het Nieuws van de Dag.:

De Storm.

Gedurende den verschrikkelijken sneeuwstorm, strandde Zaterdagmiddag ten zuiden van: Kamp, gemeente Schoorl Fransche driemastschoener Jean Bart, kapitein Ropers, thuis behoorende te St. Brieux, met zand (ballast) van Antwerpen naar Sunderland.
Onmiddellijk begaf zich de plaatselijke commissie van de Noord- en Zuidhollandsche Reddingmaatschappij, te Petten, niet de reddingstoestellen op weg om hulp te bieden.. Toen zij op de plaats des onheils aankwam, waren van de, acht opvarenden nog slechts 4 op het schip aanwezig; de anderen waren reeds over boord geslagen. Terstond werden pogingen. aangewend, om met vuurpijlen eene lijn over het schip te schieten, maar, helaas, zonder gevolg, telkens brak het touw. Een der schipbreukelingen begaf zich daarop met eene lijn in de hand tewater. Voorzeker zou deze afgetobde man verdronken. zijn, waren niet – Tennis Brouwer en Pieter Roozing met -ware doodsverachting in zee gesprongen. Wadende en zwemmende, bereikte Brouwer den ongelukkige, en onmiddellijk bijgestaan door Roozing en anderen, mocht hij het genoegen smaken hem aan land te brengen. De schipbreukeling had het touw echter moeten loslaten.
Soms tot de borst toe in het water te midden van. de hevige sneeuwbuien, stonden daar nu weder de Petteners met hun moedigen burgemeester A. Eriks Kz. aan het hoofd, zonder te kunnen helpen. Toch de moed niet opgegeven!
Na veel vergeefsche moeite en inspanning kwam toch eindelijk, vooral door de onvermoeide pogingen van T. Brouwer en den Heer S. Weg, de verbinding van het vaartuig niet het land tot stand. Nu waren de ongelukkigen spoedig aan wal. Goddank want ’t werd tijd.
Behalve bovengenoemden hebben zich bij deze moeitevolle redding vooral onderscheiden de Heer J. Giltjes, en de werklieden J. Brouwer, J. Timmerman, Gd. Timmerman, allen. van Petten, en C.Knoef van Schoorl.
Zaterdag is te Petten het lijk aangespoeld van. een man met zwarten baard. De weinige nog overgebleven kleeding was niet gemerkt.
De Zaterdag te Scheveningen gestrande Engelsche bark is de Benavon, metende 434 ton, kapitein James Brock, komende met stukgoederen van . Hamburg en bestemd naar Sydney (Australië). Eigenaars van het schip zijn de reeders Watson Brothers, te Glasgow.
Bij zijn vertrek uit Hamburg, drie dagen geleden, had de kapitein een loods aan. boord genomen, die hem door de Noordzee zon brengen. Aan een misverstand is het te wijten, dat het schip op onze kust kwam; de loods meende, dat het licht van den vuurtoren te Scheveningen een licht van de Engelsehe kust was, en na die vergissing was het niet meer mogelijk van wal te komen.
Omstreeks half vijf strandde de Benavon, onder de gemeente Wassenaar, ongeveer 3 kilometer benoorden de grens onzer gemeente. Toen de hoofdagent van politie Vennik, gedetacheerd bij het posthuis van het Kurhaus, te half zes de ronde deed, bemerkte hij dat er ten noorden van Scheveningen een schip in gevaar verkeerde; men -was toen op de Benavon aan het stakelen. Daar de telefoon aan het posthuis defect was, zond hij allerijl een agent naar het commissariaat in de Keizerstraat, vanwaar terstond aan de directie veel de afdeeling Scheveningen van de Reddingsmaatschappij werd kennis gegeven, dat, er een schip in nood was.
Omstreeks 7 uur verlieten 2 man der equipage in een eigen boot de Benavon, en bereikten behouden het strand. de lijn, die zij van boord hadden medegenomen om communicatie tusschen het schip en het strand — een lengte van ruim 200 meters — te krijgen, werd stuk geslagen, maar gelukkig trof de eerste pijl de beste, die door den Heer Thomas werd afgeschoten vanwege de Reddingmaatschappij, haar doel en spoedig daarna was een zwaardere lijn naar boord gehaald, waar men bereids een paar ladders aaneengebonden en aan den boeg had gehangen, om het schip te kunnen verlaten.
Omstreeks half acht was de reddingboot in zee en de eerste tocht naar de Bennvon,, hoewel de lijn natuurlijk gevolgd werd, kostte buitengewone inspanning.. Een luid gejubel ging er op, toen de eerste zes schipbreukelingen aan strand werden gedragen. Tot viermalen toe gingen. de wakkere Scheveningers naar de Benavon, en hunne pogingen slaagden volkomen.
Ze hadden het voorrecht, allen, twee-en-twintig getal, te redden. To half tien was de laatste tocht volbracht.
Toen de boot voor de eerste. maal teruggekeerd was, kwam ook de reddingboot van Katwijk met acht paarden bespannen, in draf aanrennen. De burgemeester van die gemeente, de Heer De Ridder, vergezelde de bemanning, en daar nog velen aan boord naar spoedige verlossing uit het gevaar verlangden, ging ook deze boot in zee. En het bleek nu, dat de lijn, die van het strand naar het schip reikte, van onberekenbare waarde was, want, hoe dapper de, Katwijkers zich ook weerden, en hoe dicht zij ook een enkele maal het vaartuig genaderd waren, zij moesten. toch onverrichter zake terugkeeren.
Dat zij het nog herhaalde malen zouden beproefd hebben, wanneer de Scheveningers niet zoo gelukkig gewerkt hadden, niemand, die bij de redding tegenwoordig is geweest, zal daar een ogenblik aan twijfelen.
De heeren A. Hoogenraad, D. Verbaan, A. de Jong en A. Groen, als directeuren van de Reddingmaatschappij, brachten er het hunne toe bij, dat alles met orde en kalmte geschiedde; zij werden daarin flink bijgestaan door den Heer Vernée, die thans als commissaris van rijkspolitie optrad en reeds te 7 uren op,de strandingsplaats tegenwoordig was.
Op zijn verzoek werden de schipbreukelingen in het Kurhaus opgenomen; de Heer Reiss gaf gereedelijk aan dat verzoek gehoor. En reeds voordat zij in het Kurhaus kwamen, ondervonden de zeelieden hoe. de Heer Reiss voor hen zorgde. Met elken wagen, die vertrok om een gedeelte der bemanning van de strandingsplaats naar het Kurhaus te brengen, werd een aantal dekens medegegeven, om daarin de geredden te wikkelen.
Dr. De Niet en Dr. Van. der Mandele brachten eenige uren aan het strand door, om te kunnen bijstaan, wanneer er geneeskundige hulp nodig was; de vorige malen was gebleken, hoe in dergelijke gevallen geneeskundige hulp een deel van de redding uitmaakt. Doch alle geredden waren volkomen wel en ieder uitte op zijn wijze zijn vreugde en zijn dankbaarheid.
Van den kapitein vernam men, dat gisteren door een stortzee de tweede stuurman Donald Morrison over boord was geslagen en omgekomen, en ook dat de Benavon, toen zij strandde, 15 voet water maakte. Wat er van het schip, dat pas enkele jaren telt, en van de rijke lading, die het bevat, worden zal, is nog moeilijk uit te maken. Waarschijnlijk zal men, als het weder niet verslimmert, spoedig aan het bergen van de lading gaan; of het daarna mogelijk is, het schip af te brengen, zal de ondervinding moeten leeren. Niemand is er, die dat bepalen kan.
.Als men het; stalen schip met zijne dubbele marsraas van liet strand af ziet, zou men, als leek, niet zeggen, dat het verblijf daar aan boord nog zoo gevaarlijk was; het staat recht op de bank en maakt een lichte beweging, van oost naar west en omgekeerd. Maar men moet niet vergeten, dat het een kielvaartuig is. Jammer zou het zeker zijn, als het aan de zee zou moeten worden prijsgegeven.
De Engelsche gezant aan ons hof heeft geruimen tijd aan het strand tijdens de redding vertoefd! morgen zal de kapitein voor den gezant de scheepsverklaring afleggen.
Zondag te een uur heeft de burgemeester van Wassenaar de taak der bewaking aan. het strand van den Heer Vernée overgenomen.
Dank zij de welwillendheid van den directeur van. het postkantoor te Scheveningen, den Heer Hofstede, was er Zondag den geheelen dag gelegenheid tot telegrafeeren.

Zaterdagavond, omstreeks half zes, is te Scheveningen geland de Katwijksche bomschuit De Vrouw Johanna van den reeder van. der Marel. Tot drie malen toe werd de schuit tijdens den storm van ’t anker geworpen en verloor op die wijze 7 touwen met alle ankers. Daarop is het met kalen mast en een stormfok aan het stag naar de kust komen lenzen en gelukkig geland, een mijl te,n noorden van het proefveld der artillerie.

Te Scheveningen is Zondagmorgen aangespoel enig hout en ook een zwaard, afkomstig van de Scheveningsche bomschuit SCH 169, De vier gebroeders, stuurman Krijn Dijkhuizen, reeder M. J. Tuyt.
Zondag voormiddag kwamen te Scheveningen, nog twee bomschuiten aan, van de reeders A. de Mos en M. de Niet Az., de eerste was tweemaal, de andere viermaal van haar anker geworpen, zoodat beide schepen zonder ankers en touwen uit zee terugkeerden.
Ten noorden van Scheveningen, nabij Katwijk is Zondagmorgen gestrand een vischsloep van Ostende. De bemanning, bestaande uit zes man, is met eigen boot behouden aan het strand gekomen.
In de buitenhaven te Vlaarding en was het water 3.17 M. boven A. P. gerezen.
In 1825, toen het water tot 3.20 M. boven A. P. rees (sedert niet meer voorgekomen), stond het grootste gedeelte van Vlaardingen onder water. Nu evenwel werd in de stad in het minst geen last van het hooge water ondervonden, dank zij de nieuw aangelegde keersluis. Zij heeft een flinke proef doorstaan en bewijzen van hare solide constructie gegeven. Buiten de keersluis en den spoorweg tot aan de Maas was het één zee; vele gebouwen stonden halverwege onder water. De spoorwegdijk, hoewel op enkele plaatsen minder sterk, hield zich gelukkig goed, daar anders een dicht bevolkte buurt zon overstroomd geworden zijn.
Zaterdagmorgen is op de lijn Mechelen – Terneuzen de machinist Geerling tusschen Axel en Sluiskil door een hevigen rukwind van de in volle vaart zijnde machine geworpen. Toen de trein daarop onmiddellijk stilhield, bleek dat de man slechts eenige kwetsuren hal bekomen. Dr. Callenfels, uit Hulst, die zich op den trein bevond, verleende de eerste geneeskundige hulp.

Het echte artikel vind je hier

Midelburgsche Courant 1864

Het onderstaande krantenartikel komt uit de Middelburgsche Courant van 23 juni 1864:

Gevecht tusschen de Alabama en de Kearsarge.

In ons vorig nommer deelden wij mede dat het amerikaansch oorlogstoomschip der Noordelijken Kearsarge, hetwelk eenigen tijd op de reede van Vlissingen heeft vertoefd, voor Cherburg kruiste om jagt te maken op den kruisser der Zuidelijken Alabama, welke aldaar was binnengeloopen. Volgens een telegram uit Cherburg, door Le constitutionnel medegedeeld, heeft er tusschen beide schepen een gevecht plaats gehad, waarbij de Kearsarge de overwinning behaalde en de Alabama gezonken is met de vlag in top; twee sloepen van laatstgenoemde zijn door de Kearsarge ingenomen.
Nadere mededeelingen — waarmede wij gisteren avond reeds onze geabonneerden op het Bulletin bekend maakten — berigten omtrent dit gevecht het volgende:
Toen de stoomkorvet der gefedereerden Kearsarge, met 22 stukken, op de reede van Cherburg ten anker was gekomen, zond de kommandant eene uitdaging aan dien van het zuidelijk kaperschip Alabama, dat, hoewel slechts 16 stukken tellende, het gevecht aannam tegen zondag morgen voor twaalf uur. Eergisteren morgen ten 8 uur stoomde dan ook de Alabama tot buiten de fransehe wateren, vergezeld van het fransch gepantserd schip La couronne, hetwelk bevel had ontvangen om te zorgen dat het gevecht niet in de fransche wateren plaats had. De geheele bevolking van Cherburg had zich intusschen op de hoogste punten der kust begeven om het gevecht gade te slaan. In de nabijheid der Kearsarge gekomen, trachtte de Alabama het vijandelijk schip te enteren, welke toeleg echter door de bewegingen der Kearsarge mislukte. Beide schepen beschoten elkander nu gedurende anderhalf uur op de hevigste wijze. Toen deed de Alabama weder eene poging om de Kearsarge te enteren, doch kreeg een kogel, welke den ketel doorboorde, zoo dat zij niet meer manoeuvreren kon. Nu gaf de Kearsarge de volle laag aan den zuidelijken kruisser, waardoor van alle kanten weldra het water in het schip drong en het binnen weinige ogenblikken zonk. Thans zag men wijd en zijd officieren en soldaten der Alabama op de oppervlakte der zee, waarvan een groot deel door de engelsche stoomboot Dear Hound, die het gevecht had gadegeslagen, alsmede door de Kearsarge zelve, gered werden. Daarop stoomde dit schip weder de haven binnen, alwaar het spoedig talrijke bezoeken ontving.
Onder de veertig personen van de bemanning der Alabama, welke door de Dear Hound werden ingenomen, bevond zich ook de kommandant van den kaper Semmes, welke vrij ernstig aan een zijner handen gekwetst is. De Dear Hound heeft al deze personen naar Southampton gebragt. In het geheel heeft de Alabama zes dooden, waaronder een officier, en tien gekwetsten verloren, terwijl een officier en een soldaat bij het zinken van het vaartuig verdronken.

Een ander berigt omtrent dit gevecht komt met het bovenstaande niet in allen deele overeen. Wij laten dit hier insgelijks volgen.
Zoodra de Alabama de haven verlaten had kwam de Kearsarge aanstoomen en zette koers naar de Alabama.
Op eene mijl afstands van elkander opende de Alabama het gevecht met zijn voorstuk, wendde alstoen en gaf aan de Kearsarge de volle laag, die deze begroeting onmiddellijk beantwoordde.
Beide schepen vochten met de stuurboord-batterij, .waardoor het manoevreren aan beide zijden alleen bestond in het maken van cirkels. Zeven zulke cirkels werden gemaakt in het gevecht dat 70 minuten duurde. De Alabama had toen 20 schoten in den romp ontvangen en begon zeer veel water te maken; van de ekipage waren 8 dooden en 11 gewonden, zoo dat hij genoodzaakt werd het gevecht te staken. Alvorens nog het gevecht , gestaakt was, trachtte de Alabama den franschen wal te bereiken, daartoe alle mogelijke zeilen- en stoomvermogen bezigende, doch vergeefs! het water drong zoo snel naar binnen dat de vuren uitdoofden.
Van de Alabama zond men daarop eene sloep naar de Kearsarge om te berigten dat het schip zinkende was en adsistentie te verzoeken ten einde de gewonden te redden. Het gelukte echter de ekipage van de Alabama hunne eigene gewonden te redden in de eerste sloep, benevens diegenen die niet konden zwemmen ; de overigen werden aan boord gelaten.
Voor dat de sloepen konden terugkeeren, verdween de Alabama in de golven. De overige ekipage, bestaande uit 70 koppen, sprong nu over boord, zich vastklemmende aan wat zij maar drijvende vonden.
Thans kwam ook het engelsche jacht Dear Hound aanstoomen en was de sloepen van de Kearsarge behulpzaam in het opvisschen van de overige manschappen, waaronder de kapitein der Alabama. Op de navraag van de Kearsarge naar dezen laatsten, berigtte men dat de kapitein niet was opgevischt. De Dear hound ging toen naar Cowes en zette daar den kapitein Semmes en de verdere door hem geredde ekipage aan wal. De overigen bleven krijgsgevangen aan boord van de Kearsarge.
De pantsering van de Kearsarge bestond uit een opstapeling van ijzeren kettingen langs de zijden, zich uitstrekkende van halfweg de fokkemast tot omtrent de bezaanmast, zoo dat het geheele middenschip bedekt was, welke wijze van pantsering veel schijnt te hebben bijgedragen om het geschut van de Alabama onschadelijk te maken.
Het geschut Vall de Alabama werd veel vlugger bediend dan dat van de Kearsarge, doch van de laatste veel juister. De Alabama vuurde 90, de Kearsarge slechts 30 schoten.
De Alabama was een schip met barkstuig groot 1040 ton, lang oversteven 210 en in ’t geheel 220 voet breed; 32 en diep 17 voet met twee machines, elk van 300 paardenkracht; het dek was geboord voor 12 stukken, voorzien van getrokken geschut.
De Kearsarge is groot 1031 ton met 8 stukken; de zijstukken zijn 32 ponders, en de twee groote dalgrins, middendeks staande, 11 duim diameter, welke laatste grootendeels het gevecht schijnen beslist te hebben.
Aan boord van de Alabama was buit aan goud tot een bedrag van 180.000 p.st.

Afbeelding van het artikel vind je hier